Niet zo heel veel bijen

Dit weekend was bijen-tel-weekend, maar we hebben er niet zoveel gezien. Het was te koud. En te veel wind. Gelukkig hebben allerlei bijtjes (hommels) een bontjasje aan. Maar toch vliegen ze met dit weer het liefst op het warmst van de dag, zo tussen 11 en 2. En dan ook nog op zonnige beschutte plekjes met bloeiende bloemen.

Erg lekker op dit moment vinden ze de buisbloemen van smeerwortel en van longkruid. Zie foto. Op de bijenhotels zag ik ze vandaag nauwelijks, maar het half uur dat ik telde was er ook geen directe zon op de bijenhotels.

Akkerhommel op longkruid

Vossedruif – status

Eind oktober vorig jaar kreeg ik van Michiel een paar bolletjes van de vossedruif. Spannend of ze op zouden komen, want ik bleek ze niet op een optimale plek gezet te hebben. Waarschijnlijk te nat in de winter…

Poes Sprot komt even kijken wat ik aan het doen ben.

Niets te zien, en opeens twee weken geleden groen blad, en bij een van de twee nu twee bruin-gele druifjes van bloemen. De andere 3 lijken niet opgekomen. Of zijn ze ondertussen opgegeten. Op de foto’s zie je dat de slakken ze blijkbaar erg lekker vinden…

Romeo en Julia

Merelvrouw
Voor aan op het gars, merelman, verder naar achter net op straat merelvrouw

Lunchwandeling. Ik sloeg net de Holsteinlaan in en zag een dode vogel op de weg liggen, een merelvrouw. Ik keek even om naar een geschikte plek om haar in de berm te leggen en zag -licht ontzet- nog een dode vogel liggen, een merelman, 2 meter terug. Wat is hier gebeurd? Beiden tegen een auto gevlogen?  Beiden uit de boom gevallen?

Ze lagen er in ieder geval nog maar kort, geen uitwendige schade te zien en nog slap. Ik heb ze maar bij elkaar gelegd. Helpt de vogels niets, maar voelde voor mij iets beter.

 

Aurelia in februari

Vier uur ’s middags.
Op een zonnige en uitzonderlijke warme 28 februari.
Wim was net vertrokken, na een kopje thee.
Op het terras komt nog geen zon, dus de tuinstoelen staan op het tuinpad richting vijver.
Ik zwaai Wim uit en loop terug naar de tuinstoelen.
Om de theekopjes op te ruimen.
Mijn mond valt open van verbazing.

Op de leuning van de tuinstoel zit een vlinder in de zon.
Een gehakkelde Aurelia die op een beschut plekje heeft overwinterd.
Op 28 februari.
Te vroeg natuurlijk, het gaat weer kouder en natter worden.
Ik vertel mezelf dat ze gewoon weer terug gaat naar haar schuilplek.
Samen genieten we van de voorjaarszon.

Geen reigerverschrikker

Maand geleden een paraplu langs de vijverrand gezet in de hoop de reiger die wat enthousiast van onze kikkertjes komt snacken op afstand te houden.
Na een week of twee hing de paraplu scheef. Daar was de reiger toch niet op gaan zitten? Nee, vast niet.
Toen ijs en flinke laag sneeuw, vijver dichtgevroren, even reiger veilig. Plu nog verder scheef, de stang zelfs verbogen. Dikke laag sneeuw er afgehaald.
Nog steeds best afschrikwekkend zo’n plu.
Toch?

Omgevallen
Op de achtergrond

Hmm , toen we vanmiddag terug kwamen van het wandelen, stond de reiger, op het bruggetje, met zijn rug naar de plu. Heel stilletjes te staan, in de hoop dat we hem niet zagen.
Dat mislukte dan weer wel.
Maar als reigerverschrikker werkt de paraplu in ieder geval niet.

Misschien is het wel dezelfde als vorig jaar.

Waarom een hommel toch kan vliegen

Laast was ik bij een presentatie waar de spreker een lans brak voor het openstaan voor nieuwe ideeen en uitvindingen. Hij vertelde vaak dat de gevestigde orde (van wetenschappers) radicaal nieuwe ideeen vaak tegenhouden of ontkennen. Om zijn verhaal kracht bij te zetten vertelde hij het verhaal dat ingenieurs van boeing, de vliegtuigbouwer berekend hadden dat een hommel niet kon vliegen. Met alle hun technische kennis kwamen ze steeds opnieuw tot de conclusie dat het onmogelijk was voor een hommel om in de lucht te blijven. De route van hommelvormige vliegtuigen was dus uitgesloten.

Aardhommel op blauw knoopkruid

Toch weet iedereen die even om zich heen kijkt in de zomer, dat hommels wel degelijk kunnen vliegen. Hadden de ingenieurs een rekenfout gemaakt? Nee, dat niet. Maar ze hadden de vergissing gemaakt te rekenen aan een ‘hommel-op-vliegtuig-formaat’. En als je dat doet, dan blijkt inderdaad het vleugeloppervlak te klein voor de massa van de reuzenhommel.
Juist omdat insecten als de hommel klein zijn, blijken ze door de stroperigheid van de lucht (viscositeit) extra veel lucht onder hun vleugels te kunnen krijgen, waardoor ze genoeg ‘lift’ hebben om in de lucht te kunnen blijven. Net dan, want hele efficiënte vliegers zijn het niet.

In bijgaande link een college (in het Engels) van John Maynard Smith, theoretisch bioloog (en wiskundige, en aerodynamicus). Scrol naar minuut 20  voor zijn uitleg van de vlucht van de hommel.