Ratelaarweg

Lang geleden, toen we net in haren kwamen wonen, woonden we in een huurhuis aan de Ratelaarweg. Ratelaar als in de plantjes met de ratelende zaaddoosjes, en niet het kinderspeelgoedje. Een wilde plant, in een paar soorten: de grote, de harige en de kleine ratelaar. De laatste is 1 jarig. De gele bloempjes lijken wat op lipbloempjes, maar toch is het geen familie van de lipbloemigen. Ratelaars zijn halfparasieten en horen tot de bremraapfamilie.

Vorig jaar hebben we het bloemenweitje onder de appelboom bijna gescalpeerd, met de strimmer helemaal kaal gemaakt. En toen zorgvuldig ratelaarzaad uitgestrooid en beetje ingeharkt. En warempel. Een aardig veld ratelaar inmiddels.Nog nooit zoveel gehad. Kan niet wachten tot ze later in de zomer gaan ratelen. Rammelende zaaddoosjes. Dan gaan we het recept van strimmen en zaaien nogmaals doen.

Oranje in mei

Naar aanleiding van de oranje ballen van de nu bloeiende budleija globosa was ik van plan om een blogje te maken met bovenstaande titel. Rondje door de tuin gister om oranje kleuren in de tuin te fotograferen. Dit is ‘m geworden.
De Globosa uiteindelijk ook nog een eigen blogje gegeven…

De euphorbia griffithii komt oorspronkelijk uit Bhutan, Tibet en zuidwest China. Maakt onder de grond lange uitlopers en komt dan een halve meter verderop weer boven. Kan gaan woekeren dus. Grappig aanhangseltje in het hart van de bloem, vind je niet? Dit is de euphorbia griffithii ‘Fireglow’.

Wie van de drie: stippelmot

Een klein exemplaar van een kardinaalsmuts in onze tuin zat vol met spinsel waarin tientallen rupsjes rondkropen. Grijs met zwarte stippen. Ah, dacht ik. Die herken ik. Al eerder zoiets gezien in de meidoornhaag (op kleine schaal).
Het is natuurlijk de ‘kardinaalsmuts- stippel mot’!
Hoe ziet die er uit, als mot? Nou zo.

Stippelmot.

De rups nog even door de Obsidentify-app gehaald. Meidoornstippelmot dacht de app, of de appelstippelmot, maar niet de kardinaalsmutsstippelmot. Hmm. welke zou het dan zijn? Op wikipedia staan verschillende stukjes over stippelmotten. En ook dat de meidoorn- , appel- , wilgen- , en kardinaalsmutsstippelmot alleen door nauwkeurig microscopisch onderzoek van de genitaliën uit elkaar gehouden kunnen worden. Dat is in vlindervorm.

Hoe zit het met het rupsenstadium? Kun je ze dan uit elkaar houden?
Daar zijn de verschillende teksten niet helemaal eenduidig over. Ik neig naar de meidoornstippelmot, als ik wat plaatjes kijk. Weer vreemd is dat de kardinaalsmuts niet als waardplant voor de meidoornstippelmot wordt genoemd. En dat weet ik wel zeker: de inmiddels geheel kaalgegeten struik is een kardinaalsmuts. En de rupsjes zijn nu ook verdwenen (ergens verstopt om te verpoppen).

Blauwogengras

Sisyrinchium striatum is de wetenschappelijke naam. De Nederlandse naam is bieslelie of blauwogengras. Ik heb deze zachtgeel bloeiende veel gezien op tuinreizen in Engeland. Bij de laatste reis nam ik een stekje mee, maar die overleefde de eerste winter niet. Te nat?

Vorig jaar in een tuin hier in de buurt, stonden de planten wat verhoogd, een tuin waar allerlei (sub) tropische planten groeiden. De bieslelie zaaide zich daar prima uit. Nieuwe kans: stekje mee en nu in de tuin langs een tuinpad gezet (beetje warmte, en ook wat verhoogd en met fijn grid door de grond. Het blad is blauwachtig groen, langwerpig, beetje als irissen. Is ook van de familie iris-achtigen.
Jitske, hij doet het!
Vorige week zag ik een paar bloeistengels ontstaan, een beetje als een ’telescopische’ aanwijsstok in elkaar geschoven. En vandaag de eerste bloem. Waar de naam blauwogengras vandaan komt? Dat heb ik nog niet kunnen achterhalen.

Op de ene plek op internet staat dat ie goed winterhard is, op een andere dat je de plant bij strenge winters moet afdekken. Dat ie vochthoudende grond wil hebben, of juist s winters niet nat. Dat ie zich soms erg uitzaait…
Bij een beschrijving op internet zie ik net staan dat de plant wintergroen is (klopt), van normale of vochtige bodem houdt (dus niet te droog), in zon – of halfschaduw kan staan en in neutrale of kalkrijke grond wil staan.
Oei! Daar een beetje op letten: kalkrijk…. wij hebben zure veengrond.

Erika

Pok, pok, pok. Het houten dekseltje van het eekhoornkastje klapperde. Vast Erik weer, dachten we. Nee, deze keer was het niet Erik, maarErika. Rode staart, en stukje kleiner. Het voederkastje is vanaf het terras gezien, aan de achterkant van een van de stammen van de hazelaar. Voordeel is dat ik heel langzaam de achtertuin in kan lopen richting de hazelaar. Ik zie de eekhoorn eerst niet, en omgekeerd geldt hetzelfde. Gistermiddag langzaam naar achter lopen en heeeel langzaam om het hoekje van de stam kijken. Rode staart! Het is niet Erik, maar Erika.

Nog een beetje verder: achtereind van een eekhoorn te zien; kop en voorpoten hangen in het voederkastje om een pinda te scoren. De eerste paar pinda’s eet ze met rug naar me toe, staart over haar rug gekruld, dan draait ze zich om. Lichte paniek. Daar sta ik, op ongeveer 2 meter afstand, heel stil. Kwetterende fluitgeluidjes. Ze vindt het niet pluis, en kijkt me alert aan. Schuift een paar meter omhoog de hazelaar in. Maar komt een paar minuten later nog weer terug. Nu heb ik mijn telefoon bij me, voor foto’s en een filmpje-met-geluid.

Volgende keer de grote camera met mooie lens.

Primula’s verhuisd

De primula’s die ik 1 mei plantte zijn deels al weer verhuisd. Toen ik ze begin vorige week bekeek, degenen die aan de zuidrand van de vijver stonden, bleken de ‘Miller’s crimsons’ slap van de warmte en was een bloemstengel afgeknaagd door slakken volk. De twee appleblossoms waren nog niet in bloei, wel waren er knoppen te zien. Maar … de bladeren waren behoorlijk aangeknaagd. Een grote bloempot voor de appleblossoms gezet voor een beetje schaduw. En een grote pepermuntgeurgeranium in pot voor de Millers geplaatst. Beetje schaduw, terwijl ik nadacht over een definitieve oplossing.

De volgende ochtend lag de bloempot, terracotta, bovenop een van de primula’s, waarschijnlijk een rondstuiterende (buur)poes. De bloemstengel was nog maar heel kort en leek niet afgebroken, alleen platgebogen.

Ondertussen had ik – midden in de nacht- bedacht dat een plek waar de grond altijd vochtig is, maar de plantjes nooit echt in het water staan, het voormalige rietmoerasje is. Dat is een ronde gemetselde bak die ‘binnen’ het vijverfolie is opgenomen. Ooit stond daar riet in, totdat dat deze de muur begon te ontwrichten door de groeikracht. Toen vervangen door onder andere gele lis. En inmiddels ook diverse aangewaaide varens en andere planten. Vrijdag flink hakken en wrikken met de spade om enkele gele lissen (wist je dat die knalroze wortelknollen maken?) en varens uit te scheppen. En daar hebben de Miller’s crimsons en appleblossoms een nieuw plekje gevonden. In de schaduw van een varen, en met altijd vochtige voeten. Wat ik alleen niet kan beïnvloeden is de slakken. Toen ik de foto’s voor dit stukje aan het uitzoeken was, zag ik opeens een naaktslag (foto x) op een bloem. Het is nu half 9 ’s avonds. Ik rende nog even naar buiten om evt (naakt) slakken te verwijderen. Zaten er toch weer twee bij…. potverdikkie.

Ik had 1 plantje van de derde soort, de carminea gekocht. Er zaten drie rozetjes in het potje, die ik iets uit elkaar zette. Grappig dat twee echt hardroze zijn, en de derde juist heel zacht roze. Met een soort bloem bepoederd.

Plan voor de toekomst: op termijn alle gele lissen op deze plek weghalen, zodat het een veldje primula’s wordt … Hopelijk zoveel dat de slakken het niet opkrijgen.

Oranje met rozerood

Niet meteen de meest voor de handliggende kleuren om te combineren. Toch werkt het goed, oranje en donkerroze rozen in een bos. Die kreeg ik van Luda, bij een etentje dat we organiseerden zaterdagavond. Vegetarische rijsttafel: vrijdag middag en zaterdagmiddag staan koken.

Lekker gegeten, maar bleek veel te veel. Dus vanavond (met extra fleece) op terras buiten: rijsttafel revisited. Ennuh, nog niet op: paar gerechten bewaard voor morgen.