Bloemvorm

Na een tijdje bezig geweest te zijn met een nieuwe tentoonstelling in de Hortus over bloemmodellen op schaal, zie hier, ga ik weer extra goed kijken naar bloemen in eigen tuin. Zoals deze bloem van huislook, sempervivum. Jarenlang groeien de rozetjes zonder te bloeien, ze planten zich ongeslachtelijk voort, en maken uitlopertjes kleine plantjes, klonen. In het Engels heten ze ook “hen & chicks”, waar de kleine plantjes de kuikens zijn.

Onder stress, of gewoon omdat ze een zekere leeftijd hebben bereikt, gaat een rozet bloeien, en daarna zaad zetten. De plant gaat over tot geslachtelijke voortplanting. Elk jaar bloeien er bij ons wel een paar roetjes, en de fotogenieke rozige stervormige bloempjes heb ik natuurlijk vaker gezien.

Gezien wel, maar ik heb toen niet echt goed gekeken!
Wat valt er veel te zien.

Op een bloeistengel komen 5-10 verschillende bloemhoofdjes. Elk bloemhoofdje heeft een stervormige bloem met 10 of meer blaadjes. Voor het eerst vielen me bij de net geopende bloemen de stampers, de vrouwelijke geslachtsorganen op: dat is de ring met de witte puntjes. Rondom die ring veel nectar. Zie onder.
Na korte tijd (dag of twee?) verdwijnt het witte puntje en buigen de stempels zich naar binnen. Nu worden de meeldraden, de mannelijke geslachtsorganen actief, en verschijnt er stuifmeel. Omdat dit niet tegelijkertijd gebeurt wordt zelfbestuiving voorkomen.

En zoals op veel bloemen, is er ook hier weer een bijpassend snuitkevertje. Snuitkevers specialiseren zich vaak op een plant/ geslacht. En er zijn 97000 soorten snuitkevers bekend! Laten we deze maar de ‘sempervivum-snuitkever‘ noemen.

Bloemmodellen

Eind 19e eeuw en begin 20ste eeuw waren microscopen en fotografie nog beperkt beschikbaar. De interesse in natuurlijke historie, zowel in het onderwijs als voor het bredere publiek, nam snel toe. Bloemen en planten waren te klein of te complex om goed in een klas te laten zien. 

Daarom werden ze sterk vergroot gemaakt. Ze maakten het mogelijk om onderdelen duidelijk aan te wijzen verschillen tussen plantensoorten te begrijpen. Ze maakten het “onzichtbare zichtbaar” in de biologieles.

Deze bloemmodellen, meestal 30-50 cm hoog boden de mogelijkheid om met de hele klas tegelijk te kijken. Sommige modellen konden uit elkaar gehaald worden om de onderdelen nog beter te zien. De bloemmodellen zijn natuurgetrouw en op schaal vergroot, kleurrijk en aantrekkelijk en stevig genoeg voor herhaald gebruik in de klas. De modellen zijn gemaakt van papier-maché, hout, katoen/ textiel, glasparels (voor bijvoorbeeld stuifmeel), veren, riet en draad.

De bekendste producent was Robert Brendel uit Duitsland. Hij richtte in 1866 een atelier op voor het maken van botanische lesmodellen. Paul Osterloh zette deze traditie voort. In zijn bedrijf werden vergelijkbare anatomische modellen van planten en bloemen voor onderwijsgebruik (eind 19e–20e eeuw) gemaakt. De modellen werden gebruikt in scholen, universiteiten en musea.
Tegenwoordig hebben de modellen een dubbele waarde: als wetenschappelijk erfgoed en als verzamelobject. De modellen worden wereldwijd nog bewaard en tentoongesteld. 

De afgelopen maanden ben ik met Ciska van het Universiteitsmuseum bezig geweest om in de Hortus botanicus Haren een kleine tentoonstelling van deze fraaie modellen in te richten. In de glazen kast in de entree hal – de ‘wunderkammer’. OM 9 uur stond Ciska op de Hortus stoep met vijf kratten vol. En krap 2 uur later was alles ingericht. Alleen de naambordjes nog, die zet ik er deze week bij.

De modellen zijn tot eind september te bewonderen. Bijzonder fraai.
En het zet je -mij in ieder geval- er toe aan de bloemen in de directe omgeving eens extra goed te bekijken. In deze tentoonstelling zijn ruim 20 modellen te zien, de meeste van Paul Osterloh, en enkele van Brendel.

Hieronder vier bekende bloemen: herken je ze?

Sint-Jansvlinder

De Sint-Jansvlinder is een zwartrode vlinder. Een opvallende verschijning die als waardplant o.a. rolklaver heeft. Dus niet Sint-Janskruid, zoals de naam misschien doet vermoeden. Uiteraard is er wel een verband met Sint Jan: de vlinder wordt vaak rond Sint Jan, 24 juni, voor het eerst gezien. De foto is van 1 juli, maar de week ervoor had ik de vlinder ook al zien vliegen, rond 24 dus. Rond de vlinderbijenweide in de Hortus. Een opvallende verschijning.

De Sint-Jansvlinder is een dagactieve nachtvlinder uit de familie van de Zygaenidae (bloeddrupjes). De vlinder heeft gewone rolklaver en andere vlinderbloemigen als waardplant. Sint-Jansvlinders vliegen van half juni tot begin augustus. Ze lijken een beetje op de andere zwartrode vlinder, de Jakobsvlinder: die heeft rode strepen in plaats van stippen. En de rups van de Jakobsvlinder zit nu juist weer wel op het Jakobskruiskruid.

De rups van beide zwart rode vlinders zijn. trouwens geel met zwart. Een kleur om vogels af te schrikken. De kleur zwart-geel zegt ‘pas op, ik ben een wesp, ik ben gevaarlijk, ik ben giftig’

Sporen en meer

Aan de onderkant van varens vormen zich sporenhoopjes. Dit is de varen naast onze zijdeur. Aangewaaid en flink uitgegroeid. Handig om nu wat van de bladeren in te korten.

Als de sporen nog niet rijp zijn zijn ze groen.
Als ze wel rijp zijn, springen de beschermende witte vliesjes van de sporenhoopjes af en zijn ze bruin.
Groene sporen, bruine sporen, zwarte sporen?

De ‘zwarte sporen’ zijn net uitgekomen wantsjes. Sommige kruipen nog uit de eitjes. Een is al een stadium verder.

Lindebloesem

Wandel je door stad of dorp, en ineens denk je aan een groot glas koele limonade.
Geur is verbonden aan herinneringen.

De lindebomen bloeien, en de zoete geur hangt in de lucht.
Zachtgele bloempjes, een magneet voor insecten.
Het bekomt ze niet altijd goed, zegt men, soms vallen ze bedwelmd naar beneden.
Onder de boom waar wij vaak langs lopen (Moarweg) zie ik trouwens geen bijen of hommels liggen.

Het ruikt wel heerlijk.

Verveelt nooit

Ieder keer weer blijven we kijken naar de capriolen van de eekhoorns op de pindafeeder. Vaak koolmezen (3-7), regelmatig de grote bonte spechten (2), en dagelijks eekhoorns: 2 kleinere (1 x met zijn tweeën: kapitein roodstaart en de indiaan (donker start en grijzige strepen op het lijf) en 1 grotere, we denken de moeder (Erica).

Hier Kapitein Roodstaart.

Vlasbekuiltje Rups

Gister tegen 10 uur ’s avonds zaten we nog op het terras. Eindelijk een temperatuur waarbij je een beetje buiten kan zitten. Het was zaterdag ‘maar’ 31 graden geworden. Scheelt toch met de 35 graden van vrijdag. In het westen rommelde het, en weer voortdurend weerlicht. Af en toe een paar druppels maar het terras is overdekt.

Een zwart-gele rups begon aan een epische klim. Van de grond af begon de rups omhoog te krijgen langs een van de pilaren van het glazen dak over het terras. Nog een heel gedoe met al die pootjes. Drie paar voor, dan twee segmenten zonder pootjes, dan 5 paar achter.

Onverstoorbaar klom ie verder omhoog. Waarom? Wie zal het zeggen . In ieder geval genoeg tijd om een foto te maken.

Zondagochtend nog gaan kijken of ik de rups zag. Nee.

De vlinder, de vlasbek-uil, is een wat onduidelijke bruine nachtvlinder. De waardplant is de gele vlasbek, die hebben we niet in de tuin. Maar ook de walstroleeuwenbek. En die hebben we ruim voorhanden. De vlinder foerageert op de spoorbloem. Ook die hebben we in de tuin. Volgens de vlinderstichting is het een zeldzame vlinder.

Aanwaaiers XL

Eerder dit jaar meegedaan met een citizen Science project van de Botanische tuin Utrecht. Een paar weken lang zetten de deelnemers een potje (schone) aarde in de tuin, om te kijken wat er zoal aan kwam waaien.

Niets.

Tenminste niet in ons potje. Mogelijk verdroogd toe we op vakantie waren? Wel een ingewaaid paardenbloempluisje, (nog) geen ontkieming. Na de meetperiode heb ik het potje binnen op de vensterbank gezet, om te kijken in hoeverre er toch nog iets kiemt. Nog niets (eind juni). Misschien was het ook wel wat vroeg in het jaar. Nog weinig planten hebben in mei zaad gezet.

Niet als onderdeel van een citizen science project, maar wel veel aanwaaiers in een handig basket. Vorig jaar hing aan de haak van onze schuur een hangen basket met een ‘vaderplantje, tradescentia, een kamerplant met lange slierten hangen wit-groene bladeren. De plant heeft de winter niet overleeft, maar in de handig basket – die op 1,70 m hoog hangt – is van alles ontkiemd. In ongeveer een jaar tijd, aangewaaid, of weggeslingerd door de plant, ontkiemd en flink aan de groei.

In ieder geval
– teunisbloem, diverse
– verbascum
– vingerhoedskruiden
– walstroleeuwenbekje
– akelei
– diverse brunel
– akkerklokje
– robertskruid
– bosandoorn
– lange ereprijs
– plantje onbekend (viooltje?)
– 2 soorten gras
– wrs boszegge (nu nog te klein)
– (sterretjes?) mos
– verbena (wrs hastata, mogelijk bonariensis)

Clivia

Vorig jaar schreef ik een stukje over de Clivia, of eigenlijk over de naamgever van de plant. Een ouderwetse plant, die bij de buren in het halletje staat. Ik opperde dat ik eens om een stek zou vragen, maar dat kwam er nooit van . Twee weken terug schreef Roos, jarenlang lezer van dit Blog , dat ze hun clivia gingen delen.. Of ik interesse had in een deel (ze wist het nog, dat van die stek).

Vorige week kreeg ik een (letterlijk) doorgezaagde helft van de plant. Een en al wortel. Een Clivia is een tamelijk pietluttige plant, die niet van delen, of draaien, of een te grote pot, of zon , …. houdt. Dat van die ’te grote pot’ las ik pas nadat ik de kluit met veel moeite van oude wortels had ontdaan, de twee dikke stengels nog verder uit elkaar trok, en elk in een ruime pot plantte. Pfff. De plant weer uit de grond getrokken, losse aarde eraf, en veel kleinere pot gepakt. Nu staan er twee clivia’s buiten. Tegen de noordkant van het huis een plekje waar nooit directe zon komt. Eerst maar eens kijken of ze aanslaan.

Roos meldde dat de plant bij hun zomers onder de appelboom staat en s winters binnen. De oorspronkelijke plant kreeg Ben in de jaren 70. Sindsdien hebben Ben en Roos al veel klonen/ delen van de plant verspreid bij familie en vrienden. En wie weet groeien ze nu dus ook bij ons.

De Clivia groeit oorspronkelijk in ZuidAfrika. De hitte van afgelopen dagen komt ze misschien wel bekend voor.

Maai Juni Wel

Het grasveldje hadden we in de maand mei niet gemaaid (Maai Mei Niet). Eerst laten bloeien: de paarse bloemen van zenegroen, hele horde oranje havikskruiden, madelieven. 16 juni, na dagen met regen was het even droog. Mooi om aan het eind van de dag even te maaien.

Maai eerst even 1 baan, riep ik naar Eddy, dan kun je het verschil goed zien. Dat had ik net gelezen in een tuinboek. DE schrijver gaf aan dat het altijd zo/n voldoening g gaf om een een pad in een bloemen weide te maaien. Nou heel even dan. Voldoening. Net genoeg tijd om een foto te maken. En zoemmmmmm, toen kwam Eddy met de maaier en maaide de rest af.

Sindsdien hebben we niet meer hoeven maaien. Het is zo heet geworden dat het gras er even de brui aan geeft. DE halmen houden op met groeien als het te warm is.