Grote Koekoekshommel

In Nederland komen ruim 20 soorten hommels voor en daarnaast 7 soorten koekoekshommels. Net als de koekoek (de vogel) legt een koekoekshommel haar eitjes in het nest van een andere hommel. Vaak doodt ze daarbij de koningin van het gastnest.

De grote koekoekshommel is een zogenaamde broedparasiet: ze legt haar eitjes in het nest van een aardhommel. De larven van de koekoekshommel worden dan verzorgd door de werksters van het hommelnest. Vaak lijkt koekoekshommels erg op de hommel waarop ze parasiteren. Zo kunnen ze ‘ongemerkt’ binnenkomen.

De verschillen tussen beide vallen niet erg op, de kleuren zijn bijna hetzelfde, de antenne’s zijn iets meer gebogen bij de koekoekshommel. Een aardhommel heeft haartje/ korfjes aan de achterpoten om stuifmeel te verzamelen en te vervoeren. Bij de koekoekshommel ontbreken die: de koekoek hoeft immers zelf geen voedsel te verzamelen. Dat doet de gasthommel voor haar larven.

Baret-aardster

Achter de schuur strooien we altijd het gemaaide gras. een paar dagen terug zag ik daar een donker bollig paddenstoeltje, groeiend op wat leek een stukje tak of wortel. van daag ging ik terug om te kijken of het tak of wortel was. het bleek heel licht, en onderdeel van de paddenstoel. Foto gemaakt en obsidentify -app gebruikt:het bleek een aardster! De app was eerst niet zeker: was het de grote aardster (55% kans)? Of de forse aardster (43% kans) ? Paar foto’ s verder, met een extra foto waar je het ‘nekje’ goed kon zien, wist het algoritme het 94% zeker: de baret-aardster, geestrum striatum. . Vooral als het bolletje indroogt lijkt ie op een beetje ingezakte baret.

Wat wel raar is, is dat op sommige foto’s een puntje op het bolletje te zien is. Op onze aardster niet.
Leuk weetje: aardsterren liggen altijd los op de grond omdat de slippen (de punten van de ster) ze omhoog duwen. Je kunt er due best een oorapen om te bekijken en dan weer terug leggen.

Brembolletjesmijt

What’s in a name. Het ziet eruit als kleinen bolletjes, zit op een bremstruik en wordt veroorzaakt door een mijt (heel klein spinachtig beestje). Ik had het niet eerder bewust gezien. Ik vond gister bij onze bremstruik te kijken, allang uitgebloeid, de zwarte peultjes zijn zich al aan het vormen, en er was nog een verdwaald geel bloempje. Toen viel me op zat aan een kant van de struik allemaal zachtroze witte bloemetjes leken te bloeien. Nadere inspectie leverde een soort kleinen galletje/ bolletjes op. En obsidentify wist het meteen: de brembolletjesmijt of aceria genistae.

  • Te herkennen aan
  • Woekeringen op de knoppen.
  • Meestal vele gallen aan een plant.
  • De vorm is bolvormig.
  • De gal is sterk behaard.

Blijkt helemaal niet zeldzaam, wel de eerste keer dat ik het zie.

Hovings Hoffie

Met Tita, Annelies en Gre ben ik afgelopen maandag opbezoek geweest min de tuin van Geert Hoving in Exloo. We kenden Geert van de zwerfstenencursus die we alle vier dit voorjaar bij het hunebedcentrum volgden. In April waren Tita en Gre al op bezoek, we kregen een aantal Hondsrugzwerfstenen van Geert voor in de Hortus. Toen was de tuin nog bijna in rust. DE uitnodiging om in de zomer nog eens te komen kijken, namen we van harte aan. En afgelopen maandag was het zover.

Veel kleur, hoogte, plantgroepen, groot grasveld met enorme walnootboom. En natuurlijk ook veel zwerfstenen. Want ja, als je in Drenthe woont …

Veel dank aan Geert voor de gastvrijheid, en rondleiding door de tuin.

Bloemvorm

Na een tijdje bezig geweest te zijn met een nieuwe tentoonstelling in de Hortus over bloemmodellen op schaal, zie hier, ga ik weer extra goed kijken naar bloemen in eigen tuin. Zoals deze bloem van huislook, sempervivum. Jarenlang groeien de rozetjes zonder te bloeien, ze planten zich ongeslachtelijk voort, en maken uitlopertjes kleine plantjes, klonen. In het Engels heten ze ook “hen & chicks”, waar de kleine plantjes de kuikens zijn.

Onder stress, of gewoon omdat ze een zekere leeftijd hebben bereikt, gaat een rozet bloeien, en daarna zaad zetten. De plant gaat over tot geslachtelijke voortplanting. Elk jaar bloeien er bij ons wel een paar roetjes, en de fotogenieke rozige stervormige bloempjes heb ik natuurlijk vaker gezien.

Gezien wel, maar ik heb toen niet echt goed gekeken!
Wat valt er veel te zien.

Op een bloeistengel komen 5-10 verschillende bloemhoofdjes. Elk bloemhoofdje heeft een stervormige bloem met 10 of meer blaadjes. Voor het eerst vielen me bij de net geopende bloemen de stampers, de vrouwelijke geslachtsorganen op: dat is de ring met de witte puntjes. Rondom die ring veel nectar. Zie onder.
Na korte tijd (dag of twee?) verdwijnt het witte puntje en buigen de stempels zich naar binnen. Nu worden de meeldraden, de mannelijke geslachtsorganen actief, en verschijnt er stuifmeel. Omdat dit niet tegelijkertijd gebeurt wordt zelfbestuiving voorkomen.

En zoals op veel bloemen, is er ook hier weer een bijpassend snuitkevertje. Snuitkevers specialiseren zich vaak op een plant/ geslacht. En er zijn 97000 soorten snuitkevers bekend! Laten we deze maar de ‘sempervivum-snuitkever‘ noemen.

Bloemmodellen

Eind 19e eeuw en begin 20ste eeuw waren microscopen en fotografie nog beperkt beschikbaar. De interesse in natuurlijke historie, zowel in het onderwijs als voor het bredere publiek, nam snel toe. Bloemen en planten waren te klein of te complex om goed in een klas te laten zien. 

Daarom werden ze sterk vergroot gemaakt. Ze maakten het mogelijk om onderdelen duidelijk aan te wijzen verschillen tussen plantensoorten te begrijpen. Ze maakten het “onzichtbare zichtbaar” in de biologieles.

Deze bloemmodellen, meestal 30-50 cm hoog boden de mogelijkheid om met de hele klas tegelijk te kijken. Sommige modellen konden uit elkaar gehaald worden om de onderdelen nog beter te zien. De bloemmodellen zijn natuurgetrouw en op schaal vergroot, kleurrijk en aantrekkelijk en stevig genoeg voor herhaald gebruik in de klas. De modellen zijn gemaakt van papier-maché, hout, katoen/ textiel, glasparels (voor bijvoorbeeld stuifmeel), veren, riet en draad.

De bekendste producent was Robert Brendel uit Duitsland. Hij richtte in 1866 een atelier op voor het maken van botanische lesmodellen. Paul Osterloh zette deze traditie voort. In zijn bedrijf werden vergelijkbare anatomische modellen van planten en bloemen voor onderwijsgebruik (eind 19e–20e eeuw) gemaakt. De modellen werden gebruikt in scholen, universiteiten en musea.
Tegenwoordig hebben de modellen een dubbele waarde: als wetenschappelijk erfgoed en als verzamelobject. De modellen worden wereldwijd nog bewaard en tentoongesteld. 

De afgelopen maanden ben ik met Ciska van het Universiteitsmuseum bezig geweest om in de Hortus botanicus Haren een kleine tentoonstelling van deze fraaie modellen in te richten. In de glazen kast in de entree hal – de ‘wunderkammer’. OM 9 uur stond Ciska op de Hortus stoep met vijf kratten vol. En krap 2 uur later was alles ingericht. Alleen de naambordjes nog, die zet ik er deze week bij.

De modellen zijn tot eind september te bewonderen. Bijzonder fraai.
En het zet je -mij in ieder geval- er toe aan de bloemen in de directe omgeving eens extra goed te bekijken. In deze tentoonstelling zijn ruim 20 modellen te zien, de meeste van Paul Osterloh, en enkele van Brendel.

Hieronder vier bekende bloemen: herken je ze?

Sint-Jansvlinder

De Sint-Jansvlinder is een zwartrode vlinder. Een opvallende verschijning die als waardplant o.a. rolklaver heeft. Dus niet Sint-Janskruid, zoals de naam misschien doet vermoeden. Uiteraard is er wel een verband met Sint Jan: de vlinder wordt vaak rond Sint Jan, 24 juni, voor het eerst gezien. De foto is van 1 juli, maar de week ervoor had ik de vlinder ook al zien vliegen, rond 24 dus. Rond de vlinderbijenweide in de Hortus. Een opvallende verschijning.

De Sint-Jansvlinder is een dagactieve nachtvlinder uit de familie van de Zygaenidae (bloeddrupjes). De vlinder heeft gewone rolklaver en andere vlinderbloemigen als waardplant. Sint-Jansvlinders vliegen van half juni tot begin augustus. Ze lijken een beetje op de andere zwartrode vlinder, de Jakobsvlinder: die heeft rode strepen in plaats van stippen. En de rups van de Jakobsvlinder zit nu juist weer wel op het Jakobskruiskruid.

De rups van beide zwart rode vlinders zijn. trouwens geel met zwart. Een kleur om vogels af te schrikken. De kleur zwart-geel zegt ‘pas op, ik ben een wesp, ik ben gevaarlijk, ik ben giftig’

Sporen en meer

Aan de onderkant van varens vormen zich sporenhoopjes. Dit is de varen naast onze zijdeur. Aangewaaid en flink uitgegroeid. Handig om nu wat van de bladeren in te korten.

Als de sporen nog niet rijp zijn zijn ze groen.
Als ze wel rijp zijn, springen de beschermende witte vliesjes van de sporenhoopjes af en zijn ze bruin.
Groene sporen, bruine sporen, zwarte sporen?

De ‘zwarte sporen’ zijn net uitgekomen wantsjes. Sommige kruipen nog uit de eitjes. Een is al een stadium verder.

Lindebloesem

Wandel je door stad of dorp, en ineens denk je aan een groot glas koele limonade.
Geur is verbonden aan herinneringen.

De lindebomen bloeien, en de zoete geur hangt in de lucht.
Zachtgele bloempjes, een magneet voor insecten.
Het bekomt ze niet altijd goed, zegt men, soms vallen ze bedwelmd naar beneden.
Onder de boom waar wij vaak langs lopen (Moarweg) zie ik trouwens geen bijen of hommels liggen.

Het ruikt wel heerlijk.