Tijdens de lunch opeens een bonk(je) tegen het raam, een vogeltje dat er tegen aan vliegt. Klonk niet zo hard, toch even kijken. En als ik goed kijk, zie ik een wat versuft goudhaantje op het grindpad zitten. koffie beetje scheef 1 kant op, dan draait het zich om en kijkt me recht, priemend aan. WE blijven elkaar aankijken.
Het is koud, ongeveer 1 graad, en en waait een ijskoude zuidenwind, Z4. De veertjes van het beestje worden steeds opzij geblazen. Brr, hoe kan zo’n beestje zich warmhouden. En het zit ook nog op een hoofdroute van de katten uit de buurt op de grond.



Ik schiet in de ‘reddingsmode’. Ga een mandje zoeken, kranten erin, een theedoek met een flesje met warm water als kruikje, een paar zaadjes. En op naar het vogeltje. Ik hurk er een tijdje bij neer, zo klein, zo fijn. Het beestje zit eerst vooral op de zelfde plek, draait wel een beetje rond, fladdert een klein stukje het groen is (al beter), en tot mijn blijdschap nog iets later weer de taxus in. Daar komt ook gepiep van andere minivogeltjes uit.
Ik vertrek weer met mijn mandje. De kruik gebruik ik voor mijn eigen koude handen, de foto’s voor dit blogje. Dag klein vogeltje.
